Recipient Settings (Instellingen geadresseerden)
U geeft geadresseerden voor faxberichten op via het menu Recipient Settings (Instellingen geadresseerden).
 Opmerking:
|
Raadpleeg de Help van de FAX Utility voor meer informatie over het verzenden van faxen via een computer. Volg de onderstaande stappen om FAX Utility te starten.
Voor Mac OS X 10.6.x of later 1. Klik op Apple - System Preferences (Systeemvoorkeuren) - Print & Scan (Afdrukken en scannen) en Print & Fax (Afdrukken en faxen). 2. Selecteer FAX XXXXXX (uw printer) bij Printer, en klik vervolgens op Options & Supplies (Opties en toebehoren) - Utility (Hulpprogramma) - Open Printer Utility (Open Printerhulpprogramma).
Voor Mac OS X 10.5.x 1. Klik op Apple - System Preferences (Systeemvoorkeuren) - Print & Fax (Afdrukken en faxen). 2. Selecteer FAX XXXXXX (uw printer) bij Printer en klik vervolgens op Open Print Queue (Open afdrukwachtrij) - Utility (Hulpprogramma).
Voor Mac OS X 10.4.x 1. Dubbelklik op Hard disk (Harde schijf) - Applications (Toepassingen) - Utilities (Hulpprogramma's) - Printer Setup Utility (Printerconfiguratie). 2. Selecteer FAX XXXXXX (uw printer) bij Printer en klik vervolgens op Utility (Hulpprogramma).
|
Recipient List (Lijst geadresseerden)
Hiermee geeft u een lijst weer met de gegevens van geadresseerden.
Open Address Book (Adresboek) of Contacts (Adressen)
Hiermee wordt de lijst met contactpersonen weergegeven voor Address Book (Adresboek) of Contacts (Adressen) en kunt u een geadresseerde in de lijst selecteren. Voor Mac OS 10.7.x of later moet u vooraf Address Book (Adresboek) of Contacts (Adressen) synchroniseren met FAX Utility om de inhoud weer te kunnen geven. Raadpleeg de Help van FAX Utility voor meer informatie.
Address Book (Adresboek) en Contacts (Adressen) zijn adresboektoepassingen voor Mac OS X. De toepassingen Address Book (Adresboek) of Contacts (Adressen) hebben hun eigen functies voor importeren en exporteren. Deze toepassingen bevinden zich in de map Applications (Toepassingen). Raadpleeg de Help van de desbetreffende toepassing voor meer informatie.
+ / -
+ kan worden gebruikt wanneer u de gegevens van een geadresseerde invoert in het gedeelte Add (Toevoegen). Klik op + om de gegevens toe te voegen aan de Recipient List (Lijst geadresseerden).
- kan worden gebruikt wanneer u gegevens van een geadresseerde selecteert in de Recipient List (Lijst geadresseerden). Klik op - om de gegevens uit de lijst te verwijderen.
Add (Toevoegen)
Hiermee voegt u gegevens van een geadresseerde toe, zoals naam en faxnummer.
Voer de benodigde informatie in en klik op +.
|
Item
|
Uitleg
|
|
Name (Naam)*1
|
Voer hier de naam van de geadresseerde in.
U kunt maximaal 60 tekens invoeren in UTF-8 (tekencode).
|
|
Company/Corp (Bedrijf/org.)
|
Voer hier de naam van het bedrijf van de geadresseerde in.
U kunt maximaal 60 tekens invoeren in UTF-8 (tekencode).
|
|
Fax Number (Faxnummer)*2
|
Voer hier het faxnummer van de geadresseerde in.
Als u de printer (fax) even wilt laten pauzeren voordat het nummer wordt gekozen, voer dan een liggend streepje (-) in aan het begin van het faxnummer. Liggende streepjes (-) die u tussen de cijfers invoert, worden automatisch verwijderd.
Bijv. -81-123-45-6789  -81123456789
|
*1 Als u niets invoert bij Name (Naam), wordt u om een bevestiging gevraagd.
*2 Verplicht item.
External Access Prefix (Nummer voor buitenlijn)
Voer hier het nummer voor een buitenlijn in als dit noodzakelijk is om de aangesloten fax naar buiten te laten bellen. Dit is bijvoorbeeld zo als de faxlijn via een PBX (centrale) loopt, zoals in de meeste bedrijven, en u een 0 of 9 moet kiezen om een buitenlijn te krijgen.
Als uw printer beschikt over een PBX-lijn en is ingesteld om een # (hekje) te gebruiken in plaats van een exacte code, voert u # (hekje) in.
Wanneer u een fax naar meerdere geadresseerden stuurt, dan wordt het nummer voor de buitenlijn gekozen vóór elk afzonderlijk faxnummer.
|